Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten’
 (Ps. 91:1)

Er is in de wereld waarin wij leven een dringende behoefte aan schuilplaatsen. Sinds de zonde zijn intrede deed in de wereld is het aantal gevaren dat ons leven bedreigt, legio. Allerlei ellenden, ja de dood en de verdoemenis zelf, de zonden van onszelf en die van anderen, vormen tezamen een constante bedreiging voor ons leven. Ook betekenen de aanwezigheid van geestelijke boosheid in de lucht (satanische machten) en de aanwezigheid van ‘duivels in mensengedaante’ een altijd dreigend gevaar. Gevaren van de dag, gevaren van de nacht, Gods toorn over de zonde prediken ons de noodzaak van het bezit en gebruik van een goede schuilplaats.
De dichter van Psalm 91 noemt in deze psalm een aantal gevaren op die in zijn tijd een bedreiging vormden. Hij spreekt van het gevaar van ziekte en dood, pestilentie (vs. 6), het gevaar van wapengeweld (pijl, vs. 5), het gevaar van ongelukken (struikelen over een steen, vs. 12), het gevaar van aanvallen van wilde dieren (de felle leeuw, de draak, vs. 13), het gevaar van giftige slangebeten (adder, vs. 13).
Wat een grote benauwdheid is er in het hart wanneer wij ons bedreigd weten. Waar dan heen? ‘s Mensen heil is ijdelheid. In de loop der tijden is de mens zeer vindingrijk gebleken in het maken van schuilplaatsen, schuilkelders, maar daarna zijn er nieuwe aanvalsmiddelen uitgevonden, die de veiligheid van de voorheen gemaakte schuilplaatsen weer te niet deden. Waar moeten we toch heen in deze situatie van dreigend gevaar?
In Zijn grote goedheid en barmhartigheid heeft de Heere gezorgd voor een goede, voor de beste schuilplaats. Hij is Zelf die schuilplaats. Hij biedt Zichzelf tot een schuilplaats aan.
In Jes. 32 : 2 lezen wij: ‘En die Man zal zijn een schuilplaats tegen de vloed’. In die profetie wordt over de komst van de Messias, de Heere Jezus Christus, gesproken. Welk een onuitsprekelijke gave is die Man, die schuilplaats!
In Psalm 91 wordt met de schuilplaats des Allerhoogsten, de drieënige Verbondsgod, de HEERE, bedoeld.
Hoe kan de Heere tot een schuilplaats wezen voor een zondig mens? Hij, Die toch een verterend vuur en een eeuwige gloed is voor de zondaar? Op grond van het Middelaarswerk van de Heere Jezus voor overtreders, is dat mogelijk.
Hij is de Deur tot die schuilplaats. Zonder gelovige gebruikmaking van Hem is er geen ingang mogelijk tot de schuilplaats des Allerhoogsten. De sleutel tot het gebruikmaken van die deur is het ware geloof. De gelovige gebruikmaking van die deur geeft toegang tot de schuilplaats des Allerhoogsten en tot de ervaring van een veilig geborgen en verborgen zijn. Welk een zalige rust geeft dat! Dat is het ‘vernachten in de schaduw des Almachtigen’, waarover in vs. 1 gesproken wordt. Zoals de moederhen de kuikentjes, die onder haar vleugels toevlucht nemen, dekt en verbergt, zo worden de toevluchtzoekers in de Schuilplaats des Allerhoogsten gedekt met Zijn vlerken en bedekt onder Zijn vleugelen (vs. 4).
Zoals de Israëlieten veilig waren achter het bloed van het paaslam toen de verderfengel door Egypte ging, zo is men veilig voor alle soorten verderf bij het ‘zitten’ in de schuilplaats des Allerhoogsten. Zelfs al zou het lichaam schade ondervinden van de aanvallers, ja al zou grote materiële en financiële schade ontstaan, al zou het lichaam sterven toch is de ziel veilig. Hij sterkt de ziel in tijden van zielsbenauwdheid en gevaar Hij redt de ziel in het stervensuur. Geen satan, geen zonde, geen wet, geen mens kan hem of haar blijvend, geestelijk schaden die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten. In dat licht moeten de verzen 10 t/m 16 gelezen worden, anders trekt men verkeerde conclusies t.a.v. zichzelf of anderen. Dat laatste bespeuren wij vooral bij de vrienden van Job.
Tijdens de tweede wereldoorlog wilde een Nederlander een Duitse schuilkelder binnengaan om beveiligd te zijn tegen een komend bombardement. Hij werd teruggestuurd omdat hij Hollander was. Bij de Heere is geen aanneming des persoons. Wie hij of zij ook is, die als een boeteling ootmoedig toevlucht zoekt in de Schuilplaats des Allerhoogsten die zal nooit ondervinden wat de Hollander in Duitsland ervoer. ‘Die tot Mij komt’, zegt de Zaligmaker, ‘zal Ik geenszins uitwerpen.’ Wie we ook mogen zijn, wat ook ons verleden moge zijn geweest, hoeveel we hebben misdreven ‘wendt U naar Mij toe en wordt behouden’, spreekt de HEERE Heere. ‘Komt herwaarts tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal U rust geven voor Uw zielen’, sprak de Zaligmaker.
Hoe komt men aan de sleutel (het geloof) waardoor van de Deur (Christus) gebruik gemaakt kan worden? De Heilige Geest is de Schenker, Werkmeester daarvan. Indien wij, die boos zijn, weten onze kinderen goede gaven te geven, ‘hoeveel te meer zal de Hemelse Vader de Heilige Geest geven die Hem bidden’ (Luk. 11:13)?