Het kerkorgel

Het orgel is in 1915 gebouwd door fa. J. de Koff in Utrecht. Deze orgelbouwer kwam voort uit het bedrijf van de bekende orgelmakers Witte. Het orgel werd gemaakt voor de hervormde kerk in IJsselstein als mechanisch twee-klaviers instrument: hoofdwerk, zwelwerk en pedaal. De dispositie was, zoals in die tijd gebruikelijk, romantisch getint. Later werden er enige (pneumatische) stemmen aan het zwelwerk toegevoegd om het orgel wat meer helderheid te geven.

In 1972 werd het orgel in IJsselstein gedemonteerd om plaats te maken voor een nieuw instrument van de Gebr. Van Vulpen uit Utrecht. Na enige omzwervingen werd het gekocht door de Gereformeerde Gemeente te Kampen.

Orgelbouwer Gebr. Reil uit Heerde kreeg de opdracht het orgel te restaureren en uit te breiden met een rugwerk. Het zwelwerk werd nu boven het hoofdwerk geplaatst, waardoor de orgelkas enkele meters ondieper werd. Dit was nodig in verband met de beschikbare ruimte op de orgelgalerij. Bovendien komt dit de uitstraling van het pijpwerk ten goede.
De later bijgevoegde pneumatische stemmen werden verwijderd. Sommige (o.a. de Scherp) werden gebruikt in het rugwerk. In 1990 werd de Trompet 4’ voet van het pedaal vervangen door een Trompet 8’ voet. Van het bovenwerk werd de Fluit 4’ voet vervangen door een Vox Celeste 8’ voet en de Cymbel door de Sifflet 1’ voet. In 2004 werd groot onderhoud uitgevoerd, waarbij tevens de bereikbaarheid van het pijpwerk in het hoofdwerk werd verbeterd.

De dispositie van het kerkorgel is als volgt:

Hoofdwerk:
Prestant: 8’; Violon: 8’; Bourdon: 16’; Roerfluit: 8’; Spitsfluit: 4’; Octaaf: 4’; Quint: 3’; Octaaf: 2’; Cornet: 5 St.; Mixtuur: 3 – 5 St.; Trompet: 8’

Bovenwerk:
Prestant: 8’; Holpijp: 8’; Viola di Gamba: 8’; Vox Celeste: 8’; Octaaf: 4’; Roerfluit: 4’; Nasard: 3’; Woudfluit: 2’; Sifflet: 1’; Hobo: 8’; Tremulant

Rugwerk:
Prestant: 4’; Gedekt: 8’; Quintadeen: 8’; Gemshoorn: 2’; Quint: 1 1/3’; Sesquialter: 2 st.; Scherp: 3 – 4 St.; Kromhoorn: 8’; Tremulant

Pedaal:
Subbas: 16’; Octaafbas: 8’; Gedektbas: 8’; Octaaf: 4’; Bazuin: 16’; Trompet 8’
Gebruikelijke koppels

Het orgel is in juni 1973 in gebruik genomen door Piet Zwart Jzn., die ook als adviseur optrad.

Het orgel in De Beukelaar

Het orgel in De Beukelaar is in 1910 door de fa. Stoker uit Utrecht gebouwd voor de hervormde kerk in Oosterhesselen (Dr.) Het bezat één klavier met aangehangen pedaal. Tijdens de restauratie van het kerkgebouw in 1982 werd het orgel gedemonteerd en opgeslagen in een schuur.
Omdat het orgel niet meer paste in het gerestaureerde kerkje, werd het te koop aangeboden. Het orgel werd door de Gereformeerde Gemeente te Kampen gekocht en door vrijwilligers uit de gemeente geheel gerestaureerd (de windlade had veel waterschade) en uitgebreid met een tweede klavier en vrij pedaal. De zinken frontpijpen werden door pijpenmakers vervangen door nieuwe van orgelmetaal. De kast werd ontdaan van zijn sombere imitatie houtkleur en geschilderd in een donkerrode kleur, afgezet met bladgoud. Er is totaal bijna 2000 uur aan gewerkt. In oktober 1984 is het orgel in gebruik genomen.

De dispositie van het orgel in De Beukelaar is als volgt:

Manuaal 1:
Cornet: 4 st.*; Prestant: 8’; Holpijp: 8’; Gamba: 8’; Octaaf: 4’; Doublet: 1-2 st.
Basson-Hobo: 8’*; Koppel Ped. – Man. 1; Koppel Man. 1 – 2*; Tremulant

Manuaal 2:
Gedekt: 8’; Fluit: 4’; Roerquint: 3’*; Woudfluit: 2’*
Pedaal: Subbas: 16’*

De met * gemerkte registers zijn bijgeplaatst, de Fluit 4’ van Man. 2 is afkomstig van Man. 1, op welke plaats nu de Basson-­Hobo staat. De Cornet is geplaatst op een bijgemaakte kantsleep.